wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif

[Home] [HSF-artikelen] [Recensies] [Te verschijnen boeken]

Alle inhoud (c) 2011 Holland SF & individuele schrijvers. Nadruk verboden.

Holland SF en Wonderwaan zijn NCSF publicaties

Holland SF-website onderhouden door Simon Dekker 

 

Al-Adrian en de wonderlamp

 

door Tais Teng

Oorspronkelijk verschenen in: Wonderwaan 2008-7

1

En nadat de beul Scherazadhs hoofd in het zand had laten rollen, wendde de koning zich tot zijn diep bedroefde vizier en sprak:  `Heb je geen andere dochter, mijn vriend? Een die even bedreven in het verhalen vertellen is als de vorige maar wat minder hinderlijk snurkt?’

De wijze vizier trok aan zijn baard en kuchte: `Nog één dochter rest mij, verwekt bij mijn favoriete Frankische  slavin. Mijn dochter Dagmar heeft ogen als de zomerzee en haar als een vlammende vossenstaart. Als zij spreekt, vallen verhalenvertellers stil en laten oud-spelers hun flamingohalzige muziekinstrument zakken om geen woord te missen.’

`Breng haar terstond naar mijn harem, samen met een imam,’ beval de koning. `Ik zal het meisje deze avond nog huwen.’

 

wp3119968c.jpg 2

Maar toen het de Zevenhonderd twee-en-dertigste Nacht was, sprak Dagmar:

Mij werd verteld, o wijste aller koningen - maar slechts Allah is waarlijk wijs! - dat in het verre al-Frisia, in Dorestad, een arme kleermaker woonde. Hij was een bedreven snijder, dat wel, maar helaas miste hij één duim waardoor elke tuniek en borstrok hem twee zo lang kostte als de andere kleermakers. Deze man nu, hoewel van het ware geloof, was vervloekt met een zoon, Al-Adrian genaamd, die al sinds zijn vroegste jeugd een leegloper en deugniet was. Wanneer de muezzin van zijn hoge toren tot bidden aanspoorde, want zelfs in het kille Frankenland verwarmt het `La illah Allah, Mehamet razul Allah!’ de harten der gelovigen... Als dus zijn vader op het bidmatje knielde, schoot die schavuit de achterdeur uit om met andere niksnutten kikkers op te blazen of krabben uit de manden van biddende vissers te roven en te roosteren op een vuurtje van gedroogde geitenkeutels.

Toen Al-Adrian de leeftijd van tien jaar bereikt had, wilde zijn vader hem een eerzaam beroep laten leren. Alas! hij was te arm om het leergeld van  een tonnenmaker of een leerlooier op te brengen en moest zich tevreden stellen het kind mee te nemen naar zijn winkel om hem in zijn eigen vak, de kunst van de naald, te onderwijzen.

Het maakte geen verschil. Zodra zijn vader Al-Adrian de rug toekeerde om een klant op een mooie bies te wijzen of water in het drinkbakje van de kooi met sprekende raven te gieten, was hij al weg. In plaats van een beroep te leren bracht hij de hele dag door met smoezelige jodenkinderen en christenen. Ja, vaak sloeg hij zelfs zijn rituele wassingen over waardoor hij erbij liep als een houtskoolbrander.

Het hart van zijn vader brak toen hij zag dat zijn zoon de familienaam te grabbel gooide en hij kreeg een ziekte waaraan hij spoedig stierf.

Dat maakte Al-Adrian niets uit: onbekommerd blies hij op fluitenkruiden toetertjes en danste met de zwaluwen tot de zon onderging en een gekleurde draad niet langer van een witte te onderscheiden viel.

Toen de moeder van Al-Adrian zag dat haar man gestorven was en haar zoon niet beters dan een schelm was, besloot zij de winkel en alle gereedschappen te verkopen. Met dat geld en de onafgebroken arbeid van haar handen wist zij Al-Adrian toch elke dag een voedzame maaltijd voor te zetten. De arme vrouw had het echter zwaar. Zonder gilde of familie moest zij de tulbanden van lastdragers en leproze bedelaars wassen of zeepokken van de meerpalen schrapen.

Zonder vader of oudere broer of zelfs maar achterneef om hem te berispen, liet Al-Adrian elk vleugje van fatsoen varen. Hij dobbelde met de kapiteins van mestboten, hij dronk de gegiste vrucht van de wijnrank en als hij al een moskee van binnen zag dan was het in ieder geval niet in het gezelschap van zijn moeder.

Op deze wijze bereikte Al-Adrian de leeftijd van vijftien jaar en hij was waarlijk uitzonderlijk schoon en welgeschapen, met ogen zo fonkelend zwart als de middernacht, een huid als gewreven sandelhout en de soepele loop van een hashassin of een woestijnprins.

Welnu, op een dag onder de dagen, terwijl hij midden op het plein stond, dat bij de ingang van de soeks lag, merkte hij ineens een Noorse derwisj op die de kinderen grondig leek te inspecteren. Zijn blik gleed langs de kwajongens zonder een moment te stoppen en bleef op Al-Adrians gezicht rusten. Hij zoekt een gids, dacht Al-Adrian, want het was inderdaad makkelijk om in de kronkelende stegen te verdwalen. Of misschien is hij geen liefhebber van vrouwen en zoekt hij een heel ander genot? Voor een handvol dirhams was Al-Adrian maar al te bereid hem in een van deze functies bij te staan.

Deze derwisj echter, of sjamaan zoals Franken deze lieden in het kille noorden noemen, was een bedreven tovenaar, zeer geleerd in astrologie en de taal der djinns en trollen. Met het opheffen van een hand kon hij rotseilanden laten botsen als bronstige walrussen of het noorderlicht op het heets van de dag uit hemel omlaag trekken. Maar al zijn rijkdommen en zijn toverkracht waren hem niet genoeg, zoals wel vaker het geval is bij dat soort lieden.

Hij bleef gespannen naar Al-Adrians gezicht staren en dacht: `Daar is eindelijk de jongen die ik al negenentachtig jaar zoek! Voor wie ik zo lang geleden uit mijn geliefde land, het Lapland van de Zingende Muggen, vertrokken ben.

 

Op dit punt van haar vertelling gekomen, zag Dagmar de ochtendstond grijzen boven de torens van het paleis en bescheiden zweeg ze.

 

3

Maar toen het de Zevenhonderd drie-en-dertigste Nacht was, schraapte Dagmar haar keel en zei:

Daar is eindelijk de jongen die ik al negenentachtig jaar zoek! dacht de derwisj. Voor wie ik zo lang geleden uit mijn geliefde land, het Lapland van de Zingende Muggen, vertrokken ben.

Hij negeerde Al-Adrian verder, die zich teleurgesteld afwendde en een nieuwe dobbelsteen rolde. De derwisj slenterde naar een van de toekijkende jongens en stopte hem een dirham toe. `Vertel mij die naam van de zwartogige jongen, die daar zo ijverige de dobbelsteen rolt. Vertel me alles over zijn familie.’

Nadat de jongen hem alles verteld had, zelfs dat de overleden kleermaker een duim miste, trad de derwisj glimlachend op Al-Adrian toe.

`O mijn kind, ben je niet Al-Adrian, de zoon van kleermaker Ali Dirkson? Ali Eenduim zoals de dorpelingen hem altijd noemden?’

En Al-Adrian antwoordde: `Ja, ik ben Al-Adrian, maar wat mijn vader betreft, die is al jàren dood.’

En na deze woorden wierp de derwisj zich in de armen van de jongen, kuste zijn voorhoofd en zijn voeten, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden.

`Waarom jammert U, grootvader?’ vroeg Al-Adrian hem, verbaasd en ook enigszins gegeneerd. `Waar kent U mijn vader van?’

De derwisj antwoordde met een stem die hees van verdriet was; `Och, mijn arme kind, waarom zou ik geen hete tranen wenen? Ik vertrok toen uw vader nog maar een jongeling was, om mijn fortuin in verre en koude oorden te zoeken. Nu, in de herfst van mijn bestaan, kinderloos en met mijn vrouw verscheurd door een veelvraat, voelde ik ineens een diepe behoefte aan mijn oude familie. Ik verlangde naar mijn favoriete broer met wie ik nog hoepels gerold hebt over ditzelfde plein en later de rokken van giechelende christenmeisje optilde. Hoe treurig om te horen dat hij overleden is!’  Hij hield een ogenblik op, als verstikt van ontroering, waarop hij voortging: `Maar Allah is groot! Zodra ik je zag voelde ik mijn hart overslaan. Ik herkende de gelaatstrekken van mijn broer en wist dat je familie moest zijn. Niet dat ik je ooit gekend  heb. Je vader was nog ongehuwd toen ik vertrok. Maar bloed roept tot bloed.’ Hij omarmde de jongen en zijn glimlach brak door als een straal zonlicht uit een kolkende donderwolk. `Ik ben je oom, maar nu je vader dood is, zal ik niet enkel je oom maar ook je vader zijn. Al mijn rijkdommen werden niet voor niks vergaard! Voorwaar, zoals de wijzen zeggen: Hij die nakomelingen heeft, is niet dood!’ Hij opende  zijn geldbuidel en vulde Al-Adrians handen met gouden dinars. Het was meer geld dan Al-Adrian ooit bij elkaar gezien had.

`O mijn zoon,’ zei de derwisj, `vertel mij toch waar zij woont, de vrouw van mijn broer?’

Al-Adrian wees naar de rand van het plein, naar de scheef gezakte hut naast de troggen waar de leerlooiers hun urine lieten indikken. `Dat is ons huis.’

`Breng het geld naar je moeder en vertel haar dat ik, je oom, haar laat groeten en de zegen der engelen over haar afsmeek. Morgen zal ik jullie bezoeken en dan moogt ge me voorgaan naar het graf van je vader.”

Al-Adrian rende zijn huis binnen, zo haastig dat hij de kom met zeepsop waarin zijn moeder de tulbanden van de lastdragers en bedelaars waste, finaal omver liep.

`O, nagel in mijn grafkist!’ tierde zijn moeder. `O doorn op mijn ellendige pad! Verdwijn! Het is nog lang geen tijd voor het avondeten!’ Ze graaide naar de knoestige eikenhouten stok waarmee haar zoon placht af te ranselen.

`Nee, nee, moeder!’ riep Al-Adrian en hij opende zijn handen. Zonlicht fonkelde op de goudstukken en de ogen van zijn moeder rolden bijna uit de kassen. `We krijgen hoog bezoek! Een oom uit het verre noorden! De schatrijke broer van mijn vader!’ Hij keek haar aan. `Waarom heb je me nooit verteld dat ik een oom had?’

De vrouw schudde haar hoofd, hooglijks verbaasd. `Hij had het soms over een broer, Hassan. Maar die is gestorven toen hij pas negen jaar oud was. Aan de vliegende tering. Over een tweede oom heeft hij het nooit gehad.’

`Hij wist dat vader maar één duim had,’ zei Al-Adrian. `Het moet zijn broer zijn.’

Die avond mikte zijn moeder de waskuip op de mestvaalt en kocht nieuwe runderleren laarzen en een mantel van marterbont. Ze vulden de olielampen tot de rand met levertraan en lieten ze helemaal tot de bodem leegbranden. Ze aten honingkoeken en dronken zoveel mede dat de drank hen uit de neus liep. Al-Adrians moeder moest zelfs giechelen toen haar zoon de mop over imam en de drie ezels vertelde.

De volgende ochtend wachtte de derwisj Al-Adrian al bij het pleintje op. De man overhandigde hem twee nieuwe dinars: `Geef dit aan je moeder zodat ze speenvarken en pruimen kan bereiden. En koop een kruik rode wijn.Zeg haar dat ik haar vanavond kom bezoeken en dat ik graag een feestmaal eet met mijn nieuwe familie.’

`Mag het ook een lamsbout zijn?’ vroeg Al-Adrian. `En bier? Ons geloof verbiedt ons varkensvlees en wijn.’ Al-Adrian was diep gezonken maar niet zo diep dat hij onreine spijzen verslond.

De derwisj sloeg zich voor het hoofd. `Te lang leefde ik onder wilden! Hoe kon ik mij zo vergissen? Nee, bereidt enkel wat halal is.’

En hier zweeg Dagmar bescheiden, niet omdat de ochtend grijsde boven de paleistorens, maar omdat het gesnurk van de koning deed vermoeden dat verder vertellen weinig zin had.

`Hou je op?’ vroeg de dwergachtige nar teleurgesteld.

`Morgen verder,’ zei Dagmar en leunde achterover in de kussens. `Zijn er nog honingkoekjes?’

`Een schaal vol.’ Hij reikte haar de schaal aan en wroette toen rond in zijn tulband. `Ik heb hier nog iets voor je.’

`De gezant van keizer Carolus Magnus?’ Ze rolde het velletje perkament uit. `Ah, ogen als de wijde wereldzee en eindeloos veel dieper.’

`Niet slecht.’ Ze keek naar de dwerg. `Denk je dat hij het meent?’

`De koning propt zijn hele bed vol dansmeisjes en hij stuurt jou een gedicht. Lijkt me van wel.’

 

4

Maar toen het de Zevenhonderd zesendertigste Nacht was, zei Dagmar:

`De lamp!’  brulde de derwisj. `Hondenzoon, gehoorzaam mij! Geef mij die vervloekte lamp!’

`Wacht,’ zei de koning. `Waar zijn we ergens? De vorige nacht...’

Dagmar zuchtte onhoorbaar. Verhalen vertellen aan beschonken lieden met het geheugen van een vlo, is geen sinecure.

`De derwisj zei een toverspreuk en de aarde spleet open,’ resumeerde de dwerg. `Op de bodem van een duister gat blonk een marmeren plaat met een koperen ring, die groen uitgeslagen was van het bederf. Al-Adrian ging naar binnen, ja? Onder de grond lag de schat van Loki. Al het goud en de juwelen dat hem als losgeld voor de huid van de otter gegeven was. De schat van de Nevelingen zoals de derwisj die noemde. De derwisj wil dat Al-Adrian hem een onaanzienlijke olielamp aanreikt voor hij Al-Adrian, die met juwelen beladen is, uit de kuil omhoog trekt.’

`Oh ja.En die lamp? Die is betoverd?’

`Uiteraard.’

 

5

Maar toen het de Zevenhonderd negenenveertigste Nacht was, zei Dagmar:

`Nieuwe lampen voor oude!’ hoorde Al-Adrians moeder de Sultana, buiten roepen. `Fonkelnieuwe lampen van geel glanzend koper voor het miezerigste levertraanlampje. Met een volle kan gratis olie!’

De koning stak zijn hand op. `Wacht.’

`Ja?’ zei Dagmar.

`Je noemde je held al-Adrian. De gezant heet Adrian Ulfgarson. Dat was niet zo slim van je. Hij vertrekt morgen. Bij de eerste zonnestralen.’ Hij tikte tegen een kwastje van zijn tulband, zoog er nadenkend op. `Een gezant is natuurlijk onschendbaar maar misschien geef ik hem je hoofd mee?’

`De gezant vertrekt morgen, dat klopt,’ zei Dagmar. `Hij vertrekt met mij. En niet pas in de ochtend maar ongeveer nu.’

De koning reikte naar zijn kromzwaard omdat een heerser zelfs in zijn bed niet ongewapend is. Hij verkrampte en het zwaard viel uit zijn vingers. Rochelend viel hij terug in zijn kussens.

`Vergif in zijn wijn?’ vroeg de dwerg.

`Neuh, hij heeft voorproevers. Ik smeerde gif aan de kwastjes van zijn tulband. Hij kauwt op de kwastjes, dat viel me de eerste nacht al op. Ongelooflijk irritant aanwensel.’

`Maar dat was niet de reden?’

`Hij viel in slaap tijdens mijn verhalen! Tijdens de Drie Zusters en de Sultana van de Djinns. Toen ik over Maroef vertelde!’

`Sommige zaken zijn inderdaad onvergeeflijk,’ zei de dwerg. `Kom, heer Adrian wacht op ons bij de derde poort.’

 

Tais Teng over ‘Al-Adrian en de wonderlamp’:

Toen ik een stuk kleiner was, las mijn vader mij uit de Verhalen-van-1001-nacht voor. Hij was in Nederlandsch Indië geboren en mijn oma had hem ongetwijfeld ook voorgelezen over wijze sultans, verderfelijke viziers en beeldschone prinsessen met ogen als gazellen. Hij had overigens jaren gedacht dat het boek De Verhalen van joh-ie-Nacht heette.

Het was een dik, roomkleurig boek met illustraties van Anton Pieck en dankzij dat boek kon ik al in de eerste klas kromzwaarden tekenen.

De verhalen bleven doorechoën en zoals iedere Scherazade-fan weet zijn duizend en een verhalen beslist niet genoeg.  Net als iedere fantasyschrijver minstens een Alice-in-Wonderland verhaal geschreven moet hebben, kun je ook niet om een kalief-en-djinn verhaal heen.  Mijn Alice-verhaal heette DE TRAP NAAR DE NEDERZEE en bij mijn andere verplichting was ik nog ijveriger.

 

De eerste boek heette DE ZOON VAN DE ZADELMAKER, een verhaal ten tijde van kalief Haroen al-Rashid, waarin ook Sindbad de zeeman komt opdraven. Sindbad is hier een zonderling die zijn verstand is verloren na het vergaan van zijn zevende handelsschip en de meest idiote verhalen over zijn reizen verteld. Het is het enige verhaal waarin ik expres geen spoor van magie liet voorkomen. (Ik moest me erg inhouden)

In DE TOREN VAN DE WOESTIJNGEESTEN krijgt de jongen Omar het aan de stok met een djinn die de machtige sultan der woestijngeesten uit zijn koperen fles wil bevrijden. Gelukkig krijgt hij de hulp van een, uiteraard als jongeling vermomde, Kirgizische prinses. De toren van de titel is overigens een tien kilometer hoge koperen kruik. Om een superdjinn op te sluiten moet je in het groot denken. Er komt ook een vliegend tapijt zo  groot als een provincie in voor. Ik ben dol op Gima’s: Gigant Magic Artefacts.

In DE GRIJNS VAN DE DJINN vinden we Loki en magister Malagis ( van de Vier Heemskinderen en ’t ros Beyaart) in Bagdad, waar ze op zoek zijn naar een blad van de omgehakte wereldboom. (Kun je het nog volgen?)Een van mijn hoofdpersonen in prinses Sita, de dochter van de kalief.

`Al-Adrian en de wonderlamp’ begon met een volkomen ander uitgangspunt. Het zou in een alternatieve wereld moeten spelen waar Karel Martel de invallende Arabieren niet bij Poitiers versloeg en heel Europa Arabisch is. Dat was nodig om het verhaal van Aladdin niet in China maar in Dorestad te laten spelen. Ik wilde dat de tovenaar van het oorspronkelijke verhaal een Laplandse sjamaan werd en er een moskee in Dorestad zou staan.

Halverwege bedacht ik dat het eenvoudiger kon.

Stel je voor dat een Europese slavin dat verhaal vertelde? Om het begrijpelijk te maken voor de koning zou ze details als een moskee en moslims in Al-Frisia toevoegen. Natuurlijk zou de schat dan eerder iets Europees zijn, zoals het Rijngoud van de Nibelungen. Plus uiteraard een lamp met walvistraan. Maar als zij, Dagmar, dat verhaal vertelde wat was er dan met Scherazade gebeurd?

Weinig goeds, ontdekte ik, maar gelukkig trad Dagmar iets krachtdadiger op tegen die ellendige vrouwenwurger van een koning. Ze leefde overigens nog lang en gelukkig met haar ambassadeur en de dwerg tot de Verstoorder van alle Vreugdes en Scheider der Vrienden, die zelfs de machtigste paleizen neerhaalt op haar deur klopte en haar met zijn knokige vinger wenkte...

 

 

 

 

 

 

 

 

 

wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif

Holland SF -  Wonderwaan                                      Thuis in het vreemde

                                                                             sciencefiction - fantasy - horror - fantastiek

wpce0f8630.gif
HSF-artikelen
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wp58882ba9.jpg
wpf5560658.jpg
wpb0df75e9.jpg
wpfd5ee579.jpg
wp2d7cf8d6.jpg
wpe8c297af.jpg