[Home] [HSF-
Alle inhoud (c) 2011 Holland SF & individuele schrijvers. Nadruk verboden.
Holland SF en Wonderwaan zijn NCSF publicaties
Holland SF-
Al-
door Tais Teng
Oorspronkelijk verschenen in: Wonderwaan 2008-
1
En nadat de beul Scherazadhs hoofd in het zand had laten rollen, wendde de koning zich tot zijn diep bedroefde vizier en sprak: `Heb je geen andere dochter, mijn vriend? Een die even bedreven in het verhalen vertellen is als de vorige maar wat minder hinderlijk snurkt?’
De wijze vizier trok aan zijn baard en kuchte: `Nog één dochter rest mij, verwekt
bij mijn favoriete Frankische slavin. Mijn dochter Dagmar heeft ogen als de zomerzee
en haar als een vlammende vossenstaart. Als zij spreekt, vallen verhalenvertellers
stil en laten oud-
`Breng haar terstond naar mijn harem, samen met een imam,’ beval de koning. `Ik zal het meisje deze avond nog huwen.’
2
Maar toen het de Zevenhonderd twee-
Mij werd verteld, o wijste aller koningen -
Toen Al-
Het maakte geen verschil. Zodra zijn vader Al-
Het hart van zijn vader brak toen hij zag dat zijn zoon de familienaam te grabbel gooide en hij kreeg een ziekte waaraan hij spoedig stierf.
Dat maakte Al-
Toen de moeder van Al-
Zonder vader of oudere broer of zelfs maar achterneef om hem te berispen, liet Al-
Op deze wijze bereikte Al-
Welnu, op een dag onder de dagen, terwijl hij midden op het plein stond, dat bij
de ingang van de soeks lag, merkte hij ineens een Noorse derwisj op die de kinderen
grondig leek te inspecteren. Zijn blik gleed langs de kwajongens zonder een moment
te stoppen en bleef op Al-
Deze derwisj echter, of sjamaan zoals Franken deze lieden in het kille noorden noemen, was een bedreven tovenaar, zeer geleerd in astrologie en de taal der djinns en trollen. Met het opheffen van een hand kon hij rotseilanden laten botsen als bronstige walrussen of het noorderlicht op het heets van de dag uit hemel omlaag trekken. Maar al zijn rijkdommen en zijn toverkracht waren hem niet genoeg, zoals wel vaker het geval is bij dat soort lieden.
Hij bleef gespannen naar Al-
Op dit punt van haar vertelling gekomen, zag Dagmar de ochtendstond grijzen boven de torens van het paleis en bescheiden zweeg ze.
3
Maar toen het de Zevenhonderd drie-
Daar is eindelijk de jongen die ik al negenentachtig jaar zoek! dacht de derwisj. Voor wie ik zo lang geleden uit mijn geliefde land, het Lapland van de Zingende Muggen, vertrokken ben.
Hij negeerde Al-
Nadat de jongen hem alles verteld had, zelfs dat de overleden kleermaker een duim
miste, trad de derwisj glimlachend op Al-
`O mijn kind, ben je niet Al-
En Al-
En na deze woorden wierp de derwisj zich in de armen van de jongen, kuste zijn voorhoofd en zijn voeten, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden.
`Waarom jammert U, grootvader?’ vroeg Al-
De derwisj antwoordde met een stem die hees van verdriet was; `Och, mijn arme kind,
waarom zou ik geen hete tranen wenen? Ik vertrok toen uw vader nog maar een jongeling
was, om mijn fortuin in verre en koude oorden te zoeken. Nu, in de herfst van mijn
bestaan, kinderloos en met mijn vrouw verscheurd door een veelvraat, voelde ik ineens
een diepe behoefte aan mijn oude familie. Ik verlangde naar mijn favoriete broer
met wie ik nog hoepels gerold hebt over ditzelfde plein en later de rokken van giechelende
christenmeisje optilde. Hoe treurig om te horen dat hij overleden is!’ Hij hield
een ogenblik op, als verstikt van ontroering, waarop hij voortging: `Maar Allah is
groot! Zodra ik je zag voelde ik mijn hart overslaan. Ik herkende de gelaatstrekken
van mijn broer en wist dat je familie moest zijn. Niet dat ik je ooit gekend heb.
Je vader was nog ongehuwd toen ik vertrok. Maar bloed roept tot bloed.’ Hij omarmde
de jongen en zijn glimlach brak door als een straal zonlicht uit een kolkende donderwolk.
`Ik ben je oom, maar nu je vader dood is, zal ik niet enkel je oom maar ook je vader
zijn. Al mijn rijkdommen werden niet voor niks vergaard! Voorwaar, zoals de wijzen
zeggen: Hij die nakomelingen heeft, is niet dood!’ Hij opende zijn geldbuidel en
vulde Al-
`O mijn zoon,’ zei de derwisj, `vertel mij toch waar zij woont, de vrouw van mijn broer?’
Al-
`Breng het geld naar je moeder en vertel haar dat ik, je oom, haar laat groeten en de zegen der engelen over haar afsmeek. Morgen zal ik jullie bezoeken en dan moogt ge me voorgaan naar het graf van je vader.”
Al-
`O, nagel in mijn grafkist!’ tierde zijn moeder. `O doorn op mijn ellendige pad! Verdwijn! Het is nog lang geen tijd voor het avondeten!’ Ze graaide naar de knoestige eikenhouten stok waarmee haar zoon placht af te ranselen.
`Nee, nee, moeder!’ riep Al-
De vrouw schudde haar hoofd, hooglijks verbaasd. `Hij had het soms over een broer, Hassan. Maar die is gestorven toen hij pas negen jaar oud was. Aan de vliegende tering. Over een tweede oom heeft hij het nooit gehad.’
`Hij wist dat vader maar één duim had,’ zei Al-
Die avond mikte zijn moeder de waskuip op de mestvaalt en kocht nieuwe runderleren
laarzen en een mantel van marterbont. Ze vulden de olielampen tot de rand met levertraan
en lieten ze helemaal tot de bodem leegbranden. Ze aten honingkoeken en dronken zoveel
mede dat de drank hen uit de neus liep. Al-
De volgende ochtend wachtte de derwisj Al-
`Mag het ook een lamsbout zijn?’ vroeg Al-
De derwisj sloeg zich voor het hoofd. `Te lang leefde ik onder wilden! Hoe kon ik mij zo vergissen? Nee, bereidt enkel wat halal is.’
En hier zweeg Dagmar bescheiden, niet omdat de ochtend grijsde boven de paleistorens, maar omdat het gesnurk van de koning deed vermoeden dat verder vertellen weinig zin had.
`Hou je op?’ vroeg de dwergachtige nar teleurgesteld.
`Morgen verder,’ zei Dagmar en leunde achterover in de kussens. `Zijn er nog honingkoekjes?’
`Een schaal vol.’ Hij reikte haar de schaal aan en wroette toen rond in zijn tulband. `Ik heb hier nog iets voor je.’
`De gezant van keizer Carolus Magnus?’ Ze rolde het velletje perkament uit. `Ah, ogen als de wijde wereldzee en eindeloos veel dieper.’
`Niet slecht.’ Ze keek naar de dwerg. `Denk je dat hij het meent?’
`De koning propt zijn hele bed vol dansmeisjes en hij stuurt jou een gedicht. Lijkt me van wel.’
4
Maar toen het de Zevenhonderd zesendertigste Nacht was, zei Dagmar:
`De lamp!’ brulde de derwisj. `Hondenzoon, gehoorzaam mij! Geef mij die vervloekte lamp!’
`Wacht,’ zei de koning. `Waar zijn we ergens? De vorige nacht...’
Dagmar zuchtte onhoorbaar. Verhalen vertellen aan beschonken lieden met het geheugen van een vlo, is geen sinecure.
`De derwisj zei een toverspreuk en de aarde spleet open,’ resumeerde de dwerg. `Op
de bodem van een duister gat blonk een marmeren plaat met een koperen ring, die groen
uitgeslagen was van het bederf. Al-
`Oh ja.En die lamp? Die is betoverd?’
`Uiteraard.’
5
Maar toen het de Zevenhonderd negenenveertigste Nacht was, zei Dagmar:
`Nieuwe lampen voor oude!’ hoorde Al-
De koning stak zijn hand op. `Wacht.’
`Ja?’ zei Dagmar.
`Je noemde je held al-
`De gezant vertrekt morgen, dat klopt,’ zei Dagmar. `Hij vertrekt met mij. En niet pas in de ochtend maar ongeveer nu.’
De koning reikte naar zijn kromzwaard omdat een heerser zelfs in zijn bed niet ongewapend is. Hij verkrampte en het zwaard viel uit zijn vingers. Rochelend viel hij terug in zijn kussens.
`Vergif in zijn wijn?’ vroeg de dwerg.
`Neuh, hij heeft voorproevers. Ik smeerde gif aan de kwastjes van zijn tulband. Hij kauwt op de kwastjes, dat viel me de eerste nacht al op. Ongelooflijk irritant aanwensel.’
`Maar dat was niet de reden?’
`Hij viel in slaap tijdens mijn verhalen! Tijdens de Drie Zusters en de Sultana van de Djinns. Toen ik over Maroef vertelde!’
`Sommige zaken zijn inderdaad onvergeeflijk,’ zei de dwerg. `Kom, heer Adrian wacht op ons bij de derde poort.’
Tais Teng over ‘Al-
Toen ik een stuk kleiner was, las mijn vader mij uit de Verhalen-
Het was een dik, roomkleurig boek met illustraties van Anton Pieck en dankzij dat boek kon ik al in de eerste klas kromzwaarden tekenen.
De verhalen bleven doorechoën en zoals iedere Scherazade-
De eerste boek heette DE ZOON VAN DE ZADELMAKER, een verhaal ten tijde van kalief
Haroen al-
In DE TOREN VAN DE WOESTIJNGEESTEN krijgt de jongen Omar het aan de stok met een djinn die de machtige sultan der woestijngeesten uit zijn koperen fles wil bevrijden. Gelukkig krijgt hij de hulp van een, uiteraard als jongeling vermomde, Kirgizische prinses. De toren van de titel is overigens een tien kilometer hoge koperen kruik. Om een superdjinn op te sluiten moet je in het groot denken. Er komt ook een vliegend tapijt zo groot als een provincie in voor. Ik ben dol op Gima’s: Gigant Magic Artefacts.
In DE GRIJNS VAN DE DJINN vinden we Loki en magister Malagis ( van de Vier Heemskinderen en ’t ros Beyaart) in Bagdad, waar ze op zoek zijn naar een blad van de omgehakte wereldboom. (Kun je het nog volgen?)Een van mijn hoofdpersonen in prinses Sita, de dochter van de kalief.
`Al-
Halverwege bedacht ik dat het eenvoudiger kon.
Stel je voor dat een Europese slavin dat verhaal vertelde? Om het begrijpelijk te
maken voor de koning zou ze details als een moskee en moslims in Al-
Weinig goeds, ontdekte ik, maar gelukkig trad Dagmar iets krachtdadiger op tegen die ellendige vrouwenwurger van een koning. Ze leefde overigens nog lang en gelukkig met haar ambassadeur en de dwerg tot de Verstoorder van alle Vreugdes en Scheider der Vrienden, die zelfs de machtigste paleizen neerhaalt op haar deur klopte en haar met zijn knokige vinger wenkte...
Holland SF -
sciencefiction
-