wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif

Onschuld en boete

 

Door Jan J.B. Kuipers; Illustratie door Remco van Straten

Oorspronkelijk verschenen in: Wonderwaan 2007-2

 

De succesvolste soort is een soort waarvan de soortgenoten de

grootste vijanden zijn. De mens heeft deze vorm van succes bereikt.

Garrett Hardin

 

‘U weet waar het Biosofisch Instituut is gevestigd?’

‘Nee.’

‘Welnu, hou het Instituut aan uw rechterhand en ga hoogstens honderd meter verder, tot de kruising. Sla rechtsaf, aan uw linkerkant ziet u dan vrijwel onmiddellijk het braakliggende terrein waar de Voltrekkingen plaatsvinden. Er staat een schutting omheen, op het terrein zelf zijn lage tribunes opgericht. Men kan er heerlijk zitten.’

‘Koek en zopie?’

‘Vanzelfsprekend. En helemaal niet duur.’

 

wpfdcfd2d9.jpg De Slager stoot een langgerekt, zeer smartelijk gehuil uit, en zakt op één knie. Hij, de Aanklager, bevindt zich ongeveer midden op het bultige, kale terrein. De Aangeklaagde strompelt naar hem toe om zijn weggeworpen knots (die doel getroffen heeft) op te kunnen rapen. Zijn schild met de geschilderde filmhelden laat hij liggen.

Men brengt magistraat Edelweiss, gezeten in de box voor dignitarissen, intussen een missive op een zilveren schaaltje. Geërgerd grist hij het briefje weg en leest: De tests waren negatief, lieveling, gevreesd moet worden voor een langdurige behandeling met onzekere afloop. Ik zie er zo tegenop, we moeten er maar het beste van hopen. Ook is er vannacht ingebroken in het tuinhuis, heb ik ontdekt.

Edelweiss frommelt het briefje tot een prop en steekt het in de zak van zijn mantel. Als een grote duistere baalzak zit hij op zijn bank voorin de box. Doodstil, somber broedend.

‘Voor het eerst verdient ook justitie aan de misdaad,’ hervat hij dan op de neutrale, maar gewichtige toon van de regent tegen de verslaggever van de Provinciale Planeet, die in zijn gezelschap deze Voltrekking bijwoont en nijver zijn bloknootje zit vol te pennen. ‘Niet veel, begrijp me goed. Maar de symboolwaarde! Eindelijk kunnen we zeggen dat misdaad loont.  Er is altijd veel belangstelling van het publiek, we houden de kaartjes billijk geprijsd om dit niet te ontmoedigen.’

Het is alsof je hier de wanhopig gierende adem van de naderende Aangeklaagde kan horen. Onmogelijk, dat moet verbeelding zijn! (Zijn rode haar is feller dan de zware, naar het miasmische neigende tint van zijn schuldige bloed.) Beide strijders dragen dezelfde hansop, allang bevlekt met de modder van hun valpartijen, de bloedvlekken van hun wonden en de drek van hun angst. De Slager ziet zijn aanvaller aan en grabbelt tevergeefs naar de knots van de Aangeklaagde. Zijn eigen wapen ligt twintig meter verderop, waar hij het in paniek liet vallen vóór hij met zijn laatste krachten wegvluchtte van zijn tegenstander. Nog verder terug ligt zijn gedeukte schild met de geschilderde zangers en zangeressen.

 

Mevrouw Popovic: op haar rug op de schoongeboende snijtafel in het hart van de slagerij, tussen de winkel en de grote koelcel. Rok geheel opgeschort. Benen opgetrokken en wijd uiteen, haar handen in de knieholten om deze positie te behouden. Het epicentrum van de configuratie wordt aan het oog onttrokken door een met grijzende, hier en daar nog zwarte haarslierten dun bedekt hoofd, dat een beetje op en neer gaat. Onder het hoofd een frommelige kraag, de glanzende schouders van een versleten colbert en verder naar beneden verliest het beeld zich in de rafeligheid en onduidelijkheid van het marginale.

De benen van Astra Popovic beginnen zacht te trillen; een zuchten wordt hoorbaar. Het hoofd tussen haar dijen gaat trouwhartig op en neer, op en neer. Het zuchten wordt heviger.

 

‘Welk type opname is dit eigenlijk?’

‘Het is geen opname, het is een scène uit het leven gegrepen.’

‘En wie is die kerel, haar man in elk geval niet.’

‘De Melkboer natuurlijk, idioot.’

‘Oh!’ zegt mevrouw Popovic nu hevig - en afgesneden, alsof ze schrikt van dit geluid uit haar eigen boezem en zichzelf onmiddellijk het zwijgen oplegt.

Maar zoiets hou je natuurlijk niet vol.

 

De Voltrekkingen zijn naar aard en enscenering geïnspireerd door de oude godsoordelen, maar dan zonder god. Zoals de beroemde gerechtelijke tweekamp tussen twee burgers te Valenciennes, de ‘zeer mooie ceremonie’ van 1455, die zowel hilariteit als verbijstering en afschuw wekte. Alleen het luiden van de grote klok zoals te Valenciennes blijft tegenwoordig achterwege, opdat niets van de uitingen van de kampvechters verloren gaat. Elke kreet, elke vloek of verzuchting is van belang om de meanderende, vaak verbijsterende gang van het recht te kunnen volgen, volvoering én bezwering van de onnavolgbaarheid der opperste justitie; vanaf de aanvang der Voltrekking tot aan de grote apotheose, de uitkomst en bloedbevlekte manifestatie van het oordeel. Schuld en onschuld zijn nogal amorfe begrippen geworden, sinds we ontdekten dat de moraal en het recht elke metafysische grondslag ontberen. Dat elke beweerde onschuld onlosmakelijk is verweven met schuld an sich, is ook de voorwaarde en tegelijk de uitkomst van elke Voltrekking; wie A zegt, zegge B en al te goed is buurmans gek. De moeizaam bevochten overwinning op de idee van het objectieve recht wordt beschouwd als een nieuwe stap op het eindeloze pad, een schrede te meer naar de rijkere, meer natuurlijke samenleving die wij nastreven. Een mensensamenleving!

ZILVEREN SCHALEN VAN IUSTITIA,

een compendium

 

Het machtig, aanzwellend trillen van Astra Popovic deelt zich mee aan de geschrobde tafel en via deze aan de al even smetteloze vloer. Een licht bonken begint, de bescheiden galop der tafelpoten die uitmondt in een vaag, weerkaatsend gerommel dat de ruimte vult als een aanzwellend zomeronweer. Als eindelijk mevrouw Astra Popovic ongebreideld aan haar gerief komt deinst haar likker met een bloedneus terug en op hetzelfde moment betreedt Andreas Popovic, meesterslager, via de winkelruimte de beenhouwerij. De Melkboer in zijn ouwe colbert bereikt kwiek als een knaagdier – een rat bijvoorbeeld - het zijraam en vlucht de middag in.

‘Nu al terug, Andreas?’ informeert Astra met dichtklappende benen. Ze klinkt waarlijk verbaasd.

 

Een intens bleke, Japie-Krekelachtige bediende in een pikzwarte pandjeslivrei brengt de magistraat een klein ebben doosje, langwerpig als een miniatuurdoodkist. Geërgerd klapt Edelweiss het dekseltje open en haalt het rolletje papier eruit. Hij ontrolt het briefje en leest: Je dochter is weggelopen met die zoon van een bastaard, hoor ik net. Ze reden in zijn auto met opengeklapt dak naar de heuvelkam van waaruit je zo’n alomvattend uitzicht hebt op de stad tegen de indigo achtergrond van de oceaan bij valavond, idyllisch volgens elk bekend citaat. Daar hebben ze zich naar verluidt om existentiële redenen van het leven beroofd. Hun lijken zijn weggesleept, door aaseters? In elk geval spoorloos. Alleen jouw revolver is aangetroffen op het rode retroleer van de zetel naast de bestuurdersplaats. Rokend, Jakov, rokend!

Edelweiss frommelt het briefje krachtig in elkaar en steekt het bij het andere propje in zijn mantel. Broedend, zwijgend kijkt hij over het kampterrein, waar de Aangeklaagde en de Slager vechten om de knots; zijn wangen zo peervormig dat het lijkt alsof hij in beide een stuiter bewaart.

De Aangeklaagde heeft de overhand, want de Slager had niet de kracht om helemaal overeind te komen. Hij zit op zijn knieën, zijn handen boven zich om de steel van de knots geklemd, die de Aangeklaagde hem langzaam ontwringt. De laatste zet nu ook een voet tegen zijn borst.

Er vaart een rilling door de magistraat, maar hij heeft zich weer onder controle. ‘Kent u het meesterwerk De Hooiwagen van Hieronymus Bosch, zo innig geklemd tussen Het Paradijs en De Hel aan de buitenzijden van die triptiek?’ informeert hij.

‘Nee.’

‘Nu laatstgenoemde onderdelen van de triptiek zijn weggeërodeerd in onze onttoverde tijden blijft alleen De Hooiwagen over, en onmiddellijk valt dan de centrale voorstelling in het oog: de halsafsnijder en zijn gedoemde slachtoffer. Wat valt u op bij deze scène?’

De verslaggever van de Provinciale Planeet zwijgt; zijn pen zweeft onzeker, bijna melancholiek boven een halfbeschreven blad van zijn bloknootje.

‘De houding van het slachtoffer natuurlijk,’ vervolgt Jakov Edelweiss. ‘Die is ronduit onbevredigend in het licht van onze huidige kennis. Weliswaar is er sprake van schijnbaar totale overgave aan de voltrekking van zijn lot; de armen van de beklagenswaardige zijn gespreid en proberen niet eens de belager die haast obsceen bovenop hem zit weg te duwen; de keel wordt lankmoedig aan het reeds kervende mes geboden. Maar de dichtgeklapte benen van de gekeelde! Panisch tegen elkaar geklemd, alsof toch verzet tegen de loop der dingen wenselijk is, in plaats van wijd uiteen, in volle overgave aan de esthetiek van het geweld. Het schilderij, met die enorme hooiwagen die de ontvlambaarheid en vluchtigheid van onze begeerten en ambities uitbeeldt, biedt nog een moraal. De tijden, nietwaar. Niet de overgave aan het ongerijmde, aan het wrede lot dat de puurste wellust van de natuurlijke, endogene justitie uitdrukt.’

‘Kunt u iets langzamer praten, edelachtbare?’

‘Hoe heet u, beste kerel?’

‘Ze noemen me Sloppy,’ zegt verslaggever Sloppy.

‘Vervang Paradijs door Orde en Hel door Chaos, meneer Sloppy,’ doceert magistraat Edelweiss verder, ‘en ziedaar de palen waartussen de waslijn van ons bestaan is gespannen. Daar ergens tussenin waaien we lustig op de wind, ieder op zijn plekje, dichter bij de ene of de andere paal, tot onze knijpertjes loslaten. En de centrale voorstelling blijft eeuwig zoiets als De Hooiwagen. Een van actie overvloeiend tafereel, waarop je nooit raakt uitgekeken omdat het in ingedikte vorm het menselijk bedrijf zelf weergeeft. Maar die benen! Die hadden we tegenwoordig beslist anders geschilderd: één willoos uitgestrekt als de armen, het andere waarschijnlijk een tikje opgetrokken, met weke, naar buiten wijkende contour, de meest vitale delen van de anatomie offrerend, met uiterst raffinement… Amor fati, meneer Sloppy! Omhels uw lot en laat gebeuren wat gebeurt, leve de natuurlijke orde en dood aan de revolutie!’

De blik van de magistraat krijgt een ingekeerde filosofenglans.

‘Ik hoor dat de Aangeklaagde niet dezelfde is als de persoon tegen wie door Andreas Popovic aangifte is gedaan?’ probeert Sloppy uiterst voorzichtig een pikant randje aan zijn verslag te breien.

Edelweiss kijkt op de verslaggever neer met beschaafd dédain.

‘Nee, inderdaad, de Slager had geen kans om de veronderstelde dader eenduidig te identificeren,’ legt hij geduldig uit. ‘Beseft u wel hoeveel Melkboeren rondgaan in onze straten? En mevrouw Popovic bewaart het stilzwijgen in belang van de juiste rechtsgang. Maar de persoon die vandaag op het terrein de Slager bestrijdt is ongetwijfeld voor iets anders aangeklaagd. Zijn aanwezigheid is derhalve terecht en zijn strijdlust laat niks te wensen over!’

Inderdaad: de rooie heeft intussen de steel van de knots aan de vuisten van Slager Popovic ontwrongen. Hij doet een stap achteruit en heft het verschrikkelijke wapen hoog, hoog boven zijn hoofd terwijl de Slager zijn pis laat lopen en de handen heft in afgrijzen, maar tegelijk met een zeker passieve overgave alsof hij de hoofdrol vervult op een al stollend, stichtend tafereel.

 

‘Waarom wordt dit verhaal achronologisch en discontinu verteld?’

‘Dat zal ik u aan de neus hangen.’

‘Ik wil het toch weten. Daar heb ik recht op.’

‘Vergeet het maar. Doe aangifte als u durft.’

‘Die mogelijkheid overweeg ik zeker. Zien we mekaar misschien op het terrein van de Voltrekkingen.’

‘Prima. Mijn knots jeukt al.’

 

Een misselijkmakende smak als de knots de schedel van de Slager mist en met volle kracht neerkomt op diens schouder, na het linker Slagersoor tot een bloedige prop te hebben gereduceerd. Het geroep en gebrul uit het magertjes opgekomen publiek versmoort bijna het ten hemel varend gehuil van de getroffene die, nog steeds op zijn knieën, opzij zakt, op de spaarzaam met gras begroeide aarde glijdt en om genade begint te smeken.

De Slager ligt op zijn buik en is daarom wat moeilijk te verstaan. Zijn rechteronderbeen komt even omhoog, valt weer neer. Een snel groter wordende, bruinrode vlek tekent zich af bij zijn schouder en op zijn rug. En dan vervalt Andreas Popovic, uitbener van duizend varkens, tot zwijgen.

Edelweiss staat als een grote duistere tent overeind in de box en neemt het terrein en de situatie in ogenschouw.

‘Mevrouw Popovic is derhalve onschuldig!’ concludeert hij plechtig; Sloppy noteert het, compleet met uitroepteken.

Als de Aangeklaagde is uitgehijgd en opnieuw zijn knots heft om de ruggengraat van de Slager te kraken, betreedt een nootjesverkoper de box met een missive voor Jakov Edelweiss.

 

‘Plakje worst voor uw zoontje?’ oppert Astra Popovic opgewekt. Ze overhandigt het snotjoch met het geruite petje over de toonbank een duimbrede plak bloedworst.

‘Hmmmm, dank u wel!’ roept de moeder overdreven beleefd, omdat het ventje zelf onmiddellijk zijn mond vol heeft. ‘En hoe is het nu met uw man, mevrouw Popovic?’

‘Verdedigt op ditzelfde moment mijn eer!’ antwoordt de Slagersvrouw opgewekt. Ze lijkt nog een tikje molliger te zijn geworden, maar alles nog altijd in de juiste proporties. ‘Wint hij de tweekamp, dan is mijn vuige aanrander een kind des doods. Verliest Andreas onverhoopt, dan blijkt het hele verhaal een product van zijn zieke, schuldige verbeelding en is mijn reputatie evenzeer onaangetast. In beide gevallen is er sprake van genoegdoening en gerechtigheid.  Zou u ergens anders dan hier, bij ons, kunnen leven, mevrouw? Nee toch? Bij de volgende verkiezingen stem ik wéér op de Overheid!’

‘Ik ook, ik ga ook weer op de Overheid stemmen,’ zegt de klant, aangestoken door de geest van voortvarend burgerschap die mevrouw Popovic tentoonspreidt. Ze neemt haar jongen, die de worst al achter de kiezen heeft en nu vol interesse naar de gegrilde kippenpoten staart, bij de arm van zijn grijze tweedjasje en draait zich om.

Bij de deur aarzelt ze nog even.

‘Had u niet – had u er niet bij willen zijn, mevrouw Popovic, op de tribune? Of vindt u het te griezelig, te confronterend?’

Mevrouw Popovic verrijst bloesemend en blozend achter haar blinkend gepoetste vitrine met daarin een keur aan slachtproducten, de beste van dit district! Haar volle gedaante is een levende en geurige reclame voor het ambacht en de onbekommerde vitaliteit waarmee het sinds de eeuwen der eeuwen verbonden is.

‘De winkel, hè mevrouw, de winkel moet immers openblijven. Bovendien verwacht ik nog bezoek.’

‘Ach, natuurlijk, de winkel! Goedemiddag, mevrouw Popovic.’

Voor ze de deur uitgaan kijkt de kleine jongen nog één keer om, verwonderd, gefascineerd, fel - en Astra Popovic weet dat hij op dit moment naar haar staart, en haar gestalte ineens, voor het eerst in zijn leven, écht ziet.

Het is de loop van de dingen, altijd hetzelfde en steeds nieuw en anders! Ze voelt even aan ‘r haar en veegt een weerbarstige krul, rossig als een kittig varkensstaartje, achter haar o zo bloemige oor. Haar vandaag extra alerte, vreemd gevoelige linkeroor.

Op wie moeten mensen eigenlijk stemmen die door de dingen en de Overheid onder de voet worden gelopen? peinst ze even, omdat ze daar nu toch zomaar staat, ten prooi aan rare gedachten wegens een overgevoelig oor.

‘Maar zulke mensen hebben natuurlijk geen stemrecht meer,’ beslist ze dan zacht voor zich uit, ‘sufferd die ik ben.’

Kwiek en verend loopt Anna Popovic naar achter om haar armen eens tot de ellebogen in het rulste gehakt te gaan begraven.

 

Klinkt daar ergens een laatste, smartelijke gil?

Alweer? Wanneer houdt dat nu eens op?

‘Ik heb niks gehoord, eerlijk niet. Er is altijd wel iemand die anoniem iets te gillen heeft, nietwaar Melkboer? Daar kunnen we niet steeds rekening mee houden.’

‘Zeker, mevrouw Popovic, eh, Astra.’

‘Ja, ja, noem me voorlopig toch Astra.’

 

De nootjesverkoper overhandigt een dubbelgevouwen vel papier aan magistraat Edelweiss en maakt zich uit de voeten.

Edelweiss vouwt het open, gejaagder dan hij wil laten voorkomen. De brief is blanco, met uitzondering van een min of meer ronde zwarte vlek in het midden.

Beproefde aanzegging, geheiligd door een gouden eeuw van literatuur.

Jakov Edelweiss tast al naar zijn pen, hij wil haastig onder de vlek krabbelen dat hij het niet gedaan kan hebben, dat hij hier was, op het terrein van de Voltrekkingen, in functie.

Maar Edelweiss weet als geen ander dat een volmaakt alibi juist de grootste verdenking oproept en dat de bezitter van zo’n alibi daarmee als het ware al de voorhof van de bekentenis betreedt. Hij neemt aan dat het werkelijk zijn revolver was, op het rode retroleer in de verlaten auto, met uitzicht op de indigo oceaan, ruisend, Jakov, rusteloos ruisend net als je bloed in je bloedeigenste linkeroor op dit moment.

Bovendien is de nootjesverkoper in geen velden of wegen meer te bekennen. Ook Sloppy heeft de vlek gezien; hij klapte subiet zijn bloknootje dicht en verdween over het gangpad tussen de banken, net als de andere functionarissen in de box.

De donkere, spits toelopende tent beweegt flauw heen en weer; Edelweiss bestudeert het terrein, alsof hij alle bulten, alle putten, alle oneffenheden alvast in zijn brein wil griffen.

Een bestelautootje rijdt het terrein op om de dode Slager in te laden. De voormalige Aangeklaagde krijgt van een terreinknecht een handdoek aangereikt, een toegesnelde arts voelt hem van Overheidswege de pols.

Het is voorbij.

Met ietwat sloffende tred begeeft Edelweiss zich naar de uitgang, waar de geblindeerde limousine al wacht.

 

Verslaggever Sloppy zit vreedzaam in de rinkelende tram, die op dit moment de zwartberoete, vensterloze gevel van het Biosofisch Instituut passeert.

Hij is moe. Hij moet nodig zijn artikel over de tweekamp schrijven voor de Provinciale Planeet. Hij moet nodig zwijgen over de val van magistraat Edelweiss, tot hem gezegd wordt daarover te schrijven. En wie zal zeggen of de magistraat niet zal herrijzen? - Maar daar, aan het eind van de avenue, ontvouwt zich het kolossale schilderij van het stadshart: de hoge smalle gebouwen die zich donker aftekenen tegen de snel verduisterende hemel. Als met goudstof zijn de wolkenkrabbers en ontelbare appartementsgebouwen weer met de knusse gele puntjes bestrooid. Daar, in die zee van kleine, troostende lichtjes, moet ook ergens het raam van de weduwe Popovic pinkelen. Een zwellend gevoel in de broek van verslaggever Sloppy wijst hem onfeilbaar de weg, hij kan zijn ogen rustig sluiten, hij komt ongetwijfeld waar hij wezen moet.

En achter de inktzwarte skyline is een heel vaag, aanzwellend gerommel te horen. Een zomeronweer?

Het is niets dan de loop van de dingen, de aard van het beestje, de centrale voorstelling van een afgezaagd drieluik, verzet is nutteloos.

Maar aan de andere kant?

 

Aan de andere kant

Twee jonge mensen, kinderen eigenlijk nog, lopen aan de andere kant een heuvel af, het bos en de nacht in, waarachter de ochtend begint van een lange, warme dag. Haar naam is Sonia Edelweiss, hij heet zoon van een bastaard.

‘Die revolver van je ouweheer, Sonia?’

‘Ik had er een eind aan gemaakt, echt, als je niet mee was gegaan.’

‘Maar ik zou je nooit in de steek-

‘Weet ik toch!’

‘Je schoot bijna een gat in de lucht.’

‘Omdat ik een gat in de lucht wilde springen, schat.’

‘O.’

Hun stap is kwiek en vertoont vertrouwen! Ze zijn jong, hun gezichten glanzen in het donker.

Toch houden ze angstvallig elkaars hand vast, alsof ze elk moment kunnen vallen.

 

 

Jan J.B. Kuipers over ‘Onschuld en Boete’

Tientallen jaren geleden stonden we Onschuldig voor de rechter na enige collectieve troebelen, die waren geëindigd met een belegering van het plaatselijk politiebureau. 'Heeft u nog wat te zeggen?' vroeg de gebefte achter de gepolitoerde balie. 'Jazeker. Het recht is de wereld uit, edelachtbare,' zei mijn broer. Sindsdien is ons rechtsfilosofisch inzicht alleen maar vooruitgegaan; in feite hebben we in twee millennia westerse beschaving de hele cyclus doorlopen en zijn we weer terug bij af. Uiteraard was wijlen R.A. Lafferty, een wijsgeer uit Oklahoma, degene die deze terugkeer tot het mythologisch bewustzijn inzake de samenhang van gerechtigheid en natuur het treffendst wist te verwoorden: ''En in de appels langs de oceaankust zitten wormen. Zou dat gebeuren als een goede man aan het bewind was?'
www.janjbkuipers.nl

wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif

[Home] [HSF-artikelen] [Recensies] [Te verschijnen boeken]

Alle inhoud (c) 2008 Holland SF & individuele schrijvers. Nadruk verboden.

Holland SF en Wonderwaan zijn NCSF publicaties

Holland SF-website onderhouden door Simon Dekker 

wp426e46c8.png
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif

Holland SF -  Wonderwaan                                      Thuis in het vreemde

                                                                             sciencefiction - fantasy - horror - fantastiek

wpce0f8630.gif
HSF-artikelen
wpce0f8630.gif
wpce0f8630.gif
wp58882ba9.jpg
wpf5560658.jpg
wpb0df75e9.jpg
wpfd5ee579.jpg
wp2d7cf8d6.jpg
wpe8c297af.jpg